Uitspraken rechter

Verplichting tot het sluiten van behoorlijke verzekering voor aan gemotoriseerd verkeer deelnemende werknemer (I) - Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 170407/JAR07209 -
 
Hendriks is werkzaam bij Automobielbedrijf Nabuurs Bergen BV, aanvankelijk als monteur, later als magazijnmedewerker. Hij raakt te Boxmeer betrokken bij een ernstig autoongeval en wordt daardoor blijvend invalide. Hendriks bestuurde op dat moment een onbeladen auto-ambulance die eigendom was van zijn werkgever. Aan Hendriks is een bedrag van € 67.600,= uitgekeerd op grond van de door zijn werkgever afgesloten collectieve ongevallenverzekering. Hendriks heeft zijn werkgever aansprakelijk gesteld voor zijn overige schade, primair op grond van de werkgeversaansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen (art. 7:658 BW) en subsidiair op grond van het goed werkgeversschap (art. 7:611 BW). De kantonrechter heeft zijn vorderingen afgewezen. In hoger beroep stelt het hof vast dat Hendriks op de bewuste dag als nooddienst medewerker fungeerde. Als zodanig mocht hij de ambulance mee naar huis nemen en gebruiken om naar zijn werk te gaan. Op de werkgever rustte, gelet hierop, ex art. 7:658 BW de verplichting om te zorgen dat de auto voldoende veilig was in het verkeer. Nu is komen vast te staan dat de ambulance niet was voorzien van autogordels, is de werkgever tekortgeschoten in deze zorgplicht. Het is echter onvoldoende aannemelijk dat het ontbreken van autogordels tot het letsel van Hendriks heeft geleid. Hendriks heeft met behoorlijke snelheid een inhaalmanoeuvre ingezet en heeft daarbij de (lage) snelheid van de voor hem rijdende vrachtwagen volstrekt verkeerd ingeschat, waardoor hij die wagen schuin van achteren heeft geraakt, de macht over het stuur heeft verloren en tegen de vangrail aan is gekomen. Daarbij is de cabine van de ambulance als het ware geplet. Dit zou ook gebeurd zijn als Hendriks autogordels had gedragen. De werkgever is dus niet aansprakelijk op grond van art. 7:658 BW. Wel is de werkgever aansprakelijk op grond van het goed werkgeversschap (art. 7:611 BW). Het woon-werkverkeer van Hendriks, die die dag nooddienst had en daarvoor ook telefonisch bereikbaar was, moet worden aangemerkt als een bezigheid die op één lijn is te stellen met werkverkeer. Van opzet of bewuste roekeloosheid is geen sprake. Hendriks heeft een uitkering gekregen krachtens de ongevallenverzekering, maar die is, gelet op de risico’s van deelname aan het verkeer in dienstbetrekking, te gering om te kunnen oordelen dat de werkgever daarmee aan zijn verplichtingen als goed werkgever heeft voldaan. De werkgever wordt daarom veroordeeld tot vergoeding van de schade, nader op te maken bij staat.
 
Verplichting tot het sluiten van behoorlijke verzekering voor aan gemotoriseerd verkeer deelnemende werknemer (II) - Hoge Raad 010208/JAR0856 -
 
In deze zaak gaat het om de heer Maasman in dienst van Akzo in de functie van senior executive. In het kader van deze functie verricht Maasman allerlei promotieactiviteiten om meer bedrijven over te halen zich aan te sluiten bij Akzo. Op een kwade dag raakt Maasman, voor zijn werk onderweg naar Leverkusen, als bestuurder van zijn personenauto betrokken bij een verkeersongeval te Huissen. Als gevolg van het ongeval loopt Maasman een whiplashtrauma op. Maasman spreekt de andere bij het ongeval betrokken automobilist, alsmede diens WAM-verzekeraar aan tot vergoeding van zijn schade. De rechtbank Arnhem verklaart hierop dat zij aansprakelijk zijn voor 75% van de door Maasman geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade. Het resterende kwart van de schade laat de rechtbank voor rekening van Maasman omdat hij ten tijde van de aanrijding zijn gordel niet droeg. Maasman wordt een schadevergoeding uitgekeerd van € 100.000,-. Maasman spreekt vervolgens zijn werkgever Akzo in rechte aan op vergoeding van het niet vergoede gedeelte van 25% van zijn schade, te weten € 33.335,-. Maasman baseert zijn vordering primair op de werkgeversaansprakelijkheid voor bedrijfsongevallen (art. 7:658 BW) en subsidiair op het goed werkgeversschap (art. 7:611 en/of art. 6:248 lid 1 BW). De kantonrechter en gerechtshof wijzen de vorderingen van Maasman af. Maasman gaat in cassatie. De Hoge Raad geeft hierop zijn oordeel. De aan het gemotoriseerd verkeer verbonden, door velen met grote regelmaat gelopen, risico's van ongevallen hebben geleid tot een goede verzekerbaarheid van deze risico's tegen betaalbare premies. In het licht hiervan moet worden geoordeeld dat de werkgever uit hoofde van zijn verplichting zich als een goed werkgever te gedragen, gehouden is zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering van werknemers wier werkzaamheden ertoe kunnen leiden dat zij als bestuurder van een motorvoertuig betrokken raken bij een verkeersongeval. De omvang van deze verplichting zal van geval tot geval nader vastgesteld moeten worden met inachtneming van alle omstandigheden, waarbij in het bijzonder betekenis toekomt aan de in de betrokken tijd bestaande verzekeringsmogelijkheden - waarbij mede van belang is of verzekering kan worden verkregen tegen een premie waarvan betaling in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd - en de heersende maatschappelijke opvattingen omtrent de vraag voor welke schade een behoorlijke verzekering dekking dient te verlenen. De verzekering behoeft in elk geval geen dekking te verlenen voor schade die het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. In het bijzonder wanneer voor de werkzaamheden gebruik wordt gemaakt van een eigen auto van de werknemer, kan aan de verplichting ook voldaan worden door de werknemer financieel in staat te stellen om voor een behoorlijke verzekering zorg te dragen. Indien de werkgever is tekortgeschoten in zijn verplichting zorg te dragen voor een behoorlijke verzekering als hiervoor bedoeld, is hij jegens de werknemer aansprakelijk voorzover deze door die tekortkoming schade heeft geleden. Of Akzo aan deze zorgplicht heeft voldaan moet nader onderzocht worden.
 
Terug naar verkeersongevallen